Hein en Marietje, een vertelling

Dit verhaal is geschreven ter gelegenheid van het 40-jarige huwelijksjubileüm van
Hein Tomassen en Marietje Simmes in 1982.

Hein werd geboren als 7e in de rij van 9 kinderen van Willemien van Dillen en Willem Tomassen. De eerste, Lieneke, overleed als kleuter. Daarna volgden Jan, Dora, Theo, Bernard, Marie, Hein, Alei en Gert. In de nacht van zaterdag, de 21e mei 1910, omstreeks twee uur bracht de ooievaar op het Vossegat in Wijnbergen een flinke baby. Op de boerderij was het een rustig en gezellig leven met een groot stel. Hein zat als jongen, net tussen twee meisjes in. Hij leidde zo z’n eigen leventje. Onder elkaar speelden de kinderen Tomassen met bal en knikkers of hoepelen en steltlopen. Ook aan het touwtjespringen deden jongens en meisjes even hard mee. Al vroeg kreeg in het grote gezin ieder z’n taak, om te helpen bij huishouding en oogst.

Boerderij 't Vossegat

Karwijtjes waren er te over. Moeder Willemien had het altijd druk en haar gezondheid liet soms te wensen over. Hein was nog maar net 10 jaar, toen Vader Willem Tomassen stierf. Hij was in het jaar 1919 getroffen door de Spaanse griep die overal talrijke slachtoffers maaktte. Hij was aardig hersteld, maar moest veel te vroeg op de boerderij weer aan het werk. Dat bleek teveel voor zijn hart. In juli 1920 lag vader ziek te bed. De kinderen waren op het land en raapten de koornaren die bij het oogsten waren blijven liggen. Deze werden dan aan bosjes gebonden en in de boomgaard gehangen. Trots kwam Hein met z’n broertjes aan de zieke vader de geraapte bosjes tonen. Dat was voor het laatst, want vader was dood.

De oudste Jan werd de jonge boer. Met 18 jaar de toeverlaat van moeder. Broer Theo ging direct na de lagere school naar neef Hein Tomesen in Doetinchem om huisschilder te worden. Deze Hein dus niet te verwarren met de feesteling Hein. Die bleek op de lagere school en bolleboos. Dat was eerst naar Wijnbergen en later gingen de kinderen naar de school in Braamt. Zowel naar Wijnbergen als naar Braamt was het ongeveer een half uur lopen. Onderweg werden er nog wel eens appelen gejat. Als een boze boer het stel achterop kwam, werd het een spannende achtervolging. Alleen boerderij DImmendaal werd consequent gespaard, daar werden hun de appelen en peren geschonken. Bertus Dieker, was Hein’s speelkameraad (Engelbert Gerhardus Wilhelmina Dieker, geb. 10-05-1910 te Wijnbergen, woonde in de Koppelstraat 5, zo'n 300 meter van het Vossegat). Bertus, die steeds voor z’n vader de kistjes sigaren moest halen, wat dan in de winkel werd opgeschreven, fourneerde ook de kinderen Tomassen op sigaren. Maar in het veld of achter de heg werden ze stiekem opgerookt, ze rookten tot ze er wit van om de neus werden.

Familie Tomassen in ca. 1928. V.l.n.r, Staand: Bernard, Thé, Hein.
Zittend: Jan, Gert, Willemien, Marie (Ranulpha), Alei (Agnetine), Dora
Vermelding van Hein Tomassen in De Graafschap-bode van 19-06-1924
Vermelding van slaging voor normaallessen van Hein Tomassen in De Graafschap-bode van 19-06-1924

Zomers ving Hein stekelbaarsjes met Bertus in de Lege Straat, of als er geen meisjes in de buurt waren, zwemmen in het Waalse water. Een zwembroek was in die tijd nog niet gebruikelijk. Voor het werk op de boerderij leerde vrijwel iedereen melen, alleen Hein niet. Aan het einde van de lagere school adviseerde het hoofd van de school moeder Willemien, om Hein die steeds de beste van ed klas was, voor onderwijzer te laten leren. Op de school werd veel gevoetbald, Hein was een goede back. En bij het handbalspel kon lange Hein de bal zó in het net leggen. Aardrijkskunde en geschiedenis waren zijn lievelingsvakken. Toen Hein 14 was ging hij naar Terborg om er de normaallessen te volgen voor onderwijzer. Hij kreeg voor het volbrengen van die tocht van drie kwartier zijn eerste (2e handse) fiets. Iedere dag op en neer. Het waren avondlessen, overdag moest hij dan thuis op de opkamer studeren. Toen de normaallessen opgeheven werden is hij voor het laatste studiejaar naar Nijmegen gegaan. Hij kwam terecht bij de familie Fliervoet in de Bronsgeeststraat in het waterkwartier. Daar ging hij in de kost, samen met Anton Bakker uit Lichtevoorden. Op de Kronenburgsingel staat menig voetstap van Hein. De school stond in de Groene straat bij de Graafseweg. In Nijmegen maakte hij zo de strenge winter van 1929 mee. De melk- en de meelwagen reden over de bevroren Waal. De mensen zaten achterstevoren op de fiets opdat de neus niet zou bevriezen.

Rapport van Hein Tomassen in 1929
Rapport van Hein Tomassen in 1929

Op 12 juli 1929 slaagde Hein voor de staatscommissie als onderwijzer. Toen hij uit Nijmegen wegging verloor hij Anton Bakker weer uit het oog. Na de vakantie kon hij als onbezoldigd volontair beginnen aan de Braamtse school, bij hoofdmeester Timmermans. Neef Bernard te Boekhorst gaf daar ook les. Hein had bij Willem Kok in de klas gezeten, die is later hoofd geworden. In oktober van dat jaar kreeg Hein longontsteking met droge pleuritis. De negende dag was het erop of eronder. Hij werd voorzien van de heilige sacramenten der stervenden, maar gelukkig kwam hij er toch door. Hij kon de schriftelijke cursus voor hoofdonderwijzer, die hij was begonnen, afmaken. Per 1 januari 1930 kreeg Hein een tijdelijke betrekking als onderwijzer in Kilder. Vier maanden duurde dat. 1 mei 1930 werd hij in Breedenbroek benoemd. Dat werd voor de volgende 10 jaar zijn dorp. De ernstige en drukke tijd die hij daar doorbracht met lesgeven en studeren behoefde echter ook ontspanning en wat afwisseling. Zo werd het voetballen dat Hein tussen de middag met zijn jongens organiseerde, het begin van de latere voetbalclub Ajax B (van Breedenbroek). ’s Avonds was er vaak een wandeling in het bos met zijn vriend Theo Robben. En daarna was het weer studeren. Al die tijd in Breedenbroeg was hij bij de familie Koenders in de kost. Hij had er een zitkamer en een slaapkamer. Eerst behaalde Hein de hoofdakte, en daarna de akte voor Duits en tenslotte aktes voor landbouw en tuinbouw. Met Theo Robben samen ook op reis tijdens vakanties; naar de Wadden, naar Texel, naar het Zwarte Woud en naar de Ardennen. In Breedenbroek had Hein een toneelgroep ‘VoVo’ geheten (Van Ons, Voor Ons). Toen hij pas in Netterden was, werd die groep naar Netterden gehaald om daar een uitvoering te geven. ‘Op hoop van zegen’, van Herman Heyermans. Dus aan het begin van de oorlog kwam de benoeming als hoofd der school in Netterden. De pastoor, die er tevens voorzitter van het schoolbestuur was, zei tegen de ‘Neie Meister’: “Ik ben de koning en jij bent de onderkoning”, en “ik bemoei me nergens mee, als je maar zorgt dat ik financieel niet in moeilijkheden kom”.

Hein ging van januari tot mei in de kost bij de Blümers familie. Vele families in Netterden waren van adel. Zo had je ‘Louis van Blümer’ en die was bevriend met Frans Simmes van de Bergeländjes. De Blümers en de Simmesen kwamen over en weer bij elkaar spelletjes doen zoals het ‘kaartje knippen’, waarbij jongens en meisjes elkaar door een gat in het kaartje een zoen gaven en ‘meel snijden’, waarbij je ook een pand moest inleveren en natuurlijk kaarten. Frans Simmes vond het een eer om de neie meister op de Bergeländjes uit te nodigen. Voor het eerst was dat met Oud & Nieuw 1941 om oudjaar mee dood te kaarten. Frans’ jongere zus Marietje was heimelijk heel verliefd op de meister. In Netterden was het gebruik dat het hoofd der school tevens als collectant in de kerk rondging met de collectebüül. Elke familie betaalde voor zijn eigen vaste bank. Marietje Simmes legde het zó aan dat ze elke zondag pal op de hoek van de bank kwam te zitten om de meister van zo dichtbij mogelijk te zien passeren. Maar als hij dan vlakbij was, sloeg ze van verlegenheid de ogen neer. Marietje was trouwens zó verlegen, dat ze pas na een tijdje verkering tegen de meister echt Hein durfde te zeggen. Maar zo was het dan met oudjaar feest, de meister kwam kaarten en Marietje durfde niets van haar warme gevoelens voor Hein te laten merken. Bij alle gezelligheid was het heel laat geworden en moeder Simmes die voor de gelegenheid het beste serviesgoed had gebruikt, zei tegen de meisjes bij het naar bed gaan dat ze de vaat mochten laten staan tot de volgende dag. Kleine Bennie die zich ’s morgens wilde wassen, liet de grote wasbak, die boven het aanrecht aan de haak hing, boven op het kostbare serviesgoed vallen. Allemaal scherven, diepe treurnis, maar Marietjes eerste gedachte was “scherven brengen geluk". Ze leerden elkaar echt kennen zo rond 12 januari 1942. Maar zonder dag Marietje daar iets van wist was Hein al veel vaker op de Bergeländjes gweeest, als kind al. Het toeval wilde namelijk dat dat aan de andere kant van de grens, over ‘de Lander in de Hetter’ familie van hem woonde, de familie Klein Hesseling. Ook Heinrich Simmes (zoon van Johann Siemes, * 07-10-1837 - ✝ 21-01-1897 te Emmerich en Bernhardine Ricken, deze Johann was weer een zoon van Wilhelm Siemes en Maria te Poel), de baas van de Bergeländjes, had in de Hetter zijn broer Jan Simmes wonen. De broers spareken vaak met elkaar en bleven staan aan het water van de Lander. De Tomassens hadden op die manier contact met de familie van Maria van Dillen, de boerin van boerderij Klein Hesseling. Al jarenlang kwamen ze Tomassen van tijd tot tijd naar de Lander om daar een praatje te maken. Vroeger konden ze oversteken met een vlonder. Nu in oorlogstijd was dat streng verboden en gevaarlijk. De fiets werd altijd op de Bergeländjes naargezet. Dus Hein kwam daar al toen Marietje waarschijnlijk nog met de broek vol liep.

Familie Simmes in ca. 1939, Marietje is de 4de van links

Maar in de zomer van 1941 kwam Hein dus voor de eerste keer als neie meister naar de Bergeländjes voor een gesprek met de Hetter. Marietje vertelde dat ze Hein z’n stem hoorde en daar meteen door gebiologeerd was. Hein dronk bij Simmes een kopje koffie. Maar voor die 12e januari ging het zo: Frans Simmes en de meister zouden samen doen met een abonnement ‘De Wandelaar’, een tijdschrift voor de echte natuurliefhebber. Hein kwam ‘De Wandelaar’ zelf op de Bergeländjes afleveren. Het was wintertijd en het had danig gevroren. De meister vroeg of de SImmesen op de lander gingen schaatsen. Hij wilde graag meegaan. Marietje, die al gloeide bij de gedachte, geneerde zich ineens voor de grote hoge schoenen van haar vader, die ze anders voor het schaatsen gebruikte. Zusje Wies had fijne pantoffels, die zouden wel beter staan en Marie zeurde Wies daarom de kop gek. En Wies die wel wist waar het opaan gaf niet toe, zodat Marie in tranen toch met de grote schoenen naar het ijs moest. Het was die meister zelf die Marie de schaatsen onder deed en de meister was meteen verkocht. Ze bleven de hele middag samen en zwierden hand in hand over het ijs. Die middag al werden de eerste kusjes uitgewisseld. ’s Avonds bleef Hein bij de familie Simmes eten. Hein vroeg bij het weggaan aan vader Heinrich of hij köts nog eens terug mocht komen en iedereen bastte in een daverende lach uit. In Breedenbroek namelijk betekende köts binnenkort, terwijl men in Netterden met datzelfde woord kortgeleden bedoelde. De neie meister was in Netterden een veel begeerd object. Velen hadden een oogje op hem gehad en grote boeren zochten hem uit te nodigen en hun dochters aan hem voor te stellen. Later bij het trouwen was een meisje in Netterden zo jaloers dat ze de trouwfoto van Hein en Marietje aan diggelen gooide.

Toen er een fietsdag van de boerinnenbond was in de zomer, was het eindpunt van de fietstocht voor het huis van de meister en de jonge vrouwen maakten er een rondedans. Marietje en Wiesje Simmes geneerden zich vreselijk voor zoveel openlijk vertoon en trokken zich beschaamd terug. Iedereen wist wel wat over de meister te vertellen. Er werd druk gefantaseerd, en wie niets wist, begon diegene die het wel kon weten naarstig uit te horen. Zo vertelde de Netterdense huisschilder, nadat hij het meistershuus weer helemaal nieuw in de verf gezet, dat de meister alles zo prachtig veur mekaar had, met mooie meubels en zó af, tot het koffie zeefke toe. De meister was goed verzorgd. Hein’s moeder was naar Netterden gekomen en kwam als huishoudster voor dag en nacht bij hem wonen. Hein kreeg toen wel meteen commentaar, Marietje was helemaal niet wat moeder Tomassen zich van een schoondochter had voorgesteld. Ze vond Hein’s liefje veel te jong, te meisjesachtig en te kinderlijk. Marietje vond moeder Tomassen maar een stug mens. Ze verdacht haar ervan Hein te bewerken om de verkering tegen te houden. Later schreef tante Gré: “Hein stond in Netterden tussen twee vuren in, Moeder Tomassen was ook niet op de bruiloft gekomen, ze was toen ziek. Zeker was ze ziekelijk, vaak had ze het benauwd en moest naar buiten om lucht te happen. Toch is ze nog een eind in de tachtig gekomen.

Hein had trouwens al een Marietje in huis, namelijk de dochter van zijn oudste broer Jan. Het kleine meisje stond in Netterden al spoedig bekend als Meister’s Marietje. Een jonge Netterdense schone kwam al geregeld bij de Meister aan huis om Meister’s Marietje uit wandelen te nemen. Voordat Marie Simmes het met Hein ‘aan’ had hoorde ze Jo van Blümer op de naailes uitvoerig uit over de meister. Jo wist te vertellen dat hij brieven kreeg en verkering had in Breedenbroek en dat was voor Marie een hevige teleurstelling. Later hoorde ze weer een ander verhaal, dat de meister verkering had met Dora, de dochter van de Molenaar uit Braamt. Daarom bleef Marietje toch steeds in stilte dromen van de meister. Als klein meisje had ze altijd al gedroomd van een lammetje in bed en later kreeg ze dan toch haar grote lam in bed. In de verkeringstijd nam Hein zijn Marietje geregeld mee uit fietsen. Hein kwam vaak bij Beijer in Azewijn en wist hoe lekker daar in de kassen druiven waren. Hij zou Marietje eens heerlijk trakteren op een flinke tros en toen de tuinder Hein met z’n jonge bruid aan zag komen viel z’n mond van verbazing open en zei: “Maor Hein, wat he’j dan now veur ’n jonge Russischen hit aangeschaft”. Groter compliment is natuurlijk niet mogelijk. Hein kwam nu ook heel geregeld op de Bergeländjes om er zijn lievelingsgerecht stompstamp van andijvie met gebakken spekkaantjes te eten. Maar het was daar op de boerderij steeds harder werken geblazen, en moeder SImmes dirigeerde het hele “spul” met strakke hand. Marietje had nu echter haar gedachten niet meer zo bij het werk en stond steeds bij de ‘achterdeur’ op de uitkijk of Hein er nog maar niet aan kwam. En als ze hem dan in de verte op de slakweg zag komen, dan roetste ze gauw naar boven om zich mooi te maken, terwijl Hein onder al klaagde over waar Marietje zo lang toch bleef. Vóór Hein was een zekere Frans Geurtsen druk voor Marietje in de weer geweest, maar deze liet het toch maar bij een keertje fietsen. Frans Geurtsen was erg verliefd maar Marietje voelde dat toch niet zo. Toen ze nog een jong meisje was plaagde ze haar met Doris Smit die een oogje op haar had. Marietje was heel verlegen maar voelde zich met Doris’ attentie heel gevleid. Marietje was heel verlegen maar voelde zich met Doris' attentie heel gevleid. Marietje kreeg de bijnaam "Miets" of "Muis". Tante Frieda legde het zo uit: "Marietje kan met de kanienen uit de ruuf èten". Dan moest ze toch heel spits zijn volgens de landelijke begrippen.

En het was nog maar net bij het uitbreken van de oorlog dat de romantische en oh zo muzikale Duitser Karl Rölly die in Netterden bij de luchtafweer lag ingekwartierd, een gooi naar Marietje deed en hoge ogen gooide. "Mein lieb Marietchen, ein paar zeilen kannst du mir doch schreiben." had hij heimelijk op verschillende plaatsen in kleine lettertjes in de muziekboeken geschreven. Karl, die in Netterden iemand wilde zoeken om samen viool mee te spelen, had Franz Simmes al gauw gevonden. Marietje werd zijn uitverkoren pianiste, en ze was zeer leergierig. Karl deed haar mooie muziek kado en kwam al met meer presentjes zoals een heel fraai klein wit porseleinen poesje met een bolletje wol, een schrijfmap en een gouden armband: alles dus onmiskenbare symbooltaal. Karl kwam heel geregeld op de Bergeländjes. Hij voerde hele gesprekken met tante Frida, die hem s'avonds steeds uitgeleide moest doen. Als het gezin Simmes s'avonds op de knieën het rozenhoedje lag te doen, dan meende Karl dat het pater-Karel gebed speciaal voor hem bedoeld was. In de winter van 40-41 maakte Karl ook bij het schaatsen werk van Marietje. De hele middag schaatste hij alleen met haar. Maar op een gegeven moment moest Karl vertrekken, richting Oostfront. Na hun trouwen ontving het jonge paar van hem nog een kaart met een edelweisz erop.Daarna is er nooit meer iets van hem gehoord. Hij had gezegd:"Als ik overleef, dan kom ik zeker terug". Nu zijn er nog kleurendia's van hem.

Hein & Marietje in 1946

De verkeringstijd van Hein en Marietje was kort, niet meer dan zo'n 9 maanden. Hein vroeg Marie al snel ten huwelijk. Het wonderlijke was dat Marietje bij Hein geen schroon voelde. Of zelfs maar twijfelde. Nee, Hein zou het wezen. Wat voelde ze zich steeds weer bij hem op haar gemak en Hein die ook voor een stevige pakkerd was, zorgde ervoor dat Marietje al haar schroom verloor. Het was in de kamer en later op de koebak op de deel dat Hein Marietje ten huwelijk vroeg. De jongens zaten op de hooizolder de zaak af te kijken. Frans vond het maar moeilijk dat Hein zijn zuster zo in het openbaar kuste en pakte en Marietje katte Frans dan terug:"Maar jij knijpt de katjes in het donker." Op de Bergeländjes was men druk met de voorbereiding van de bruiloft, alles moest "blitz und blank" zijn. Het hele erf werd gekeerd en overal werd druk versierd. De deel was de feestzaal. Frans Eimans de postbode, zou de ceremoniemeester worden, hij was een geweldige comediant. Toen s'avonds voor de trouwdag de liedjes werden ingestudeerd moest Marietje zelf nog aan de piano begeleiden. Het was nog een hele toer geweest om aan de frank te komen. Met veel moeite was de spek en jonge klare bij elkaar gespaard. En hoe ongelukkig was niet het dienstmeisje die in de kelder een hele fles omstootte. Op de bruiloft deed Frans Eimans d voordracht van "Ik ben juffrouw Jansen". Iedereen lag dubbel van het lachen. Met alle soberheid was het een goed feest. Via via hadden moeder Simmes en Marietje de uitzet nog bij elkaar gekregen, alles was zo moeilijk te krijgen. Men moest ervan hot naar haar voor gaan. Een 6-persoons eetservies was nog in een teiltje over het water van de Lander gehaald. Gelukkig was Hein al zo van alles voorzien geweest. Hein's ontbijt-servies was geroemd. Marietjes' trouwjurk werd gemaakt door de vrouw van ome Thij. Toen ome Thij Marietje in haar jurk bewonderde wees hij verrukt op haar borsten en zei "Oh hij vult doar zo mooi". Ook 's ochtends was het mooi geweest: met de koetsjes naar het gemeentehuis en daarna naar de kerk. De eigen koetsen er achteraan. De dag erna zijn ze per koets naar Emmerik gegaan om er trouwfoto's te laten maken.

Het jonggetrouwde stel kwam in het meistershuis. De eerste tijd was het er nog ongedwongen en gezellig. Hoewel het oorlogstijd was, waren voor de Netterdensen de Duitse soldaten niet direct vijanden, en het overal ingekwartierde leger bracht allerlei nieuwe contacten en uitwisselingen die niet onaangenaam waren. Marietje gaf zich de eerste tijd veel moeite om voor haar Hein een goede kokkin te worden en vooral in de avonduren als Hein weg was om lessen te geven, dan was er gelegenheid om allerlei baksels uit te proberen. Met het kookboek van Wilma Münch erbij kreeg ze behoorlijk de smaak te pakken, en Marietjes Aachener Printen en havermoutkoeken vonden overal in Netterden gretig aftrek. Voor de schoolkinderen bakte ze met sinterklaas honderden mopjes en snoepjes. Pastoor van Avezaath mocht graag eens op bezoek komen en had zo z'n vaste stoel in het huis en dan rookte de pastoor een lettere pijp van pa's van voor de oorlog opgespaarde tabak. Marietje kon bij de pastoor op het gras de was beleken en drogen. Het lukte Hein om vrij te blijven van de "tot" werkzaamheden. De in het huis ingekwartierde Duitse soldaten beschermden de meister, en toen NSBers eens kwamen om hem te gijzelen werd hen te verstaan gegeven dat der meister nicht zu hause war. Pas in 1944 moest Hein dan tenslotte toch voor de "tot" in touw; op de fiets naar Oud-Zevenaar en Pannerden. Toen de lagere school op een gegeven moment gesloten gaven hij en juffrouw Friezen ombeurten de lessen in de kamer. Vlak voor het einde van de oorlog deed Hein in Emmerik op de Spielberg het laatste werk voor de "tot". Onder het vuur van de geallieerde beschietingen liet men de gegijzelden gewoon doorwerken en overal rondom sloegen de granaten in. Tenslotte toog men naar Gendringen om er te protesteren tegen het feit dat men hen in de vuurlinie liet werken. Maar daar aangekomen bleek dat de leiding al gesmeerd was. De beschietingen werden nu alsmaar heviger. Het was erg gevaarlijk, maar men moest toch terug naar huis zien te komen. Het vuur was nu direct op de weg gericht omdat de geallieerden het troepenverkeerd onmogelijk wilden maken. Bij Wieken moest Hein de sloot in. Op de buik kruipend richting Netterden. Overal rondom gingn de boerderijen in vlammen op. Toen Hein na zo'n barre tocht thuis kwam en Marietje voor hem net het badwater warm had, begon het pas goed. Zonder dat de bewoners er iets van wisten, bleek in het meistershuus funkaparatuur aanwezig van de Duitsers. Het huis werd direct onder vuur genomen. Het achterhuis zakte in elkaar. Het eten dat op het fornuis stond verdween onder het puin. Men vloog en rolde de kelder in. Een uitgehonderde totwerker sleurde nog juist de schaal met aardappels mee, gooide de grote stukken puin eraf en begon haastig te eten zodat het gruis tussen zijn tanden knarstte. Vele dieren sneuvelden door de rondvliegende kogels en granaatscherven. Dat zorgde er wel voor dat er overal weer flink vlees te krijgen was en wat niet direct gebruikt werd, maakte men in het zout en tot rookvlees. Op de dag van de bevrijding was het buiten ineens zo rustig dat Hein meende wel naar de overkant van de straat te kunnen lopen voor een pannetje melk. Later bleek dat hij dwars door de vuurlinie was gelopen.

Marietje was in haar jeugdjaren altijd graag en veel bij oma ten Brundel geweest. Dat was in het huis waar nu Jan en Riet wonen. Bij oma kon Marietje zich overgeven aan stille dromerijen. Het was er altijd veel rustiger dan op de Bergeländjes en vaak bleef ze dan ook slapen. Met oma alleen in de kamer zijn, wat lezen in een boekje, met geen ander geluid dan het tikken van de grote klok, dat is voor Marietje nog steeds een van haar fijnste jeugdherinneringen. En daar in de stilte bloeide dan een klein poëtisch Marietje die de tijd zoek bracht met het verzamelen, opplakken en enkadreren van mooie plaatjes, (ze fietste zelf naar Vasselder om er het glas en band voor te halen), en op het overschrijven van allerlei versjes. Daarvoor had ze een speciaal schrift. Door oma werd Marietje nog wel eens geknuffeld en dat had ze maar wat graag. De lagere school was zover van de Bergeländjes, dat ze tussen de middag iedere keer bij oma ging brood eten. Het was daar gezellig want ome Bartje en ome Bart Hartjens en ome Bernard en Tante Dina en Tante Anna woonden daar ook en die waren toen nog niet getrouwd. Met broers en zusters en knechten speelden ze vaak slagkaatsen, met zelfgemaakte houten betjes. Iedereen deed daar graag aan mee. Vader Hein Simmes bracht Marietje al vroeg het dansen bij. Als er dan op de radio een mooi stuk muziek te horen was, dan sloeg vader Simmes in de kamer met Marietje aan het dansen. 's Zondags gingen ze ook vaak wandelen langs de landen. Het was er mooi als er dotterbloemen en pinksterbloemen bloeiden en de gruttos luid roepend om je heen vlogen. Op de kermis werd al wekenlang aangewerkt. Alles moest helemaal kant en klaar zijn. Eerste communie was een sober feest, maar het aannemers feest was een groot feest .Er werd ieder jaar wel iemand aangenomen. De meisjes van buurman Smit kwamen letter koken en puddingen maken. Op de was altijd veel gemusiceerd en gedanst. Hen Simmes stimuleerde dat enorm. Als de kinderen er zin in hadden, dan werden de buurjongens uitgenodigd. op de deel werd lijnzaad gestrooid, dat gaf al gauw een geschikte dansvloer. Vader Simmes was een zachtaardige, vrolijke en muzikale man, moeder wat nuchterder en strenger, maar ze had voor de kinderen in feite alles over en ze was trots als een pauw als ze het stel, als er bezoek was, kon laten optreden. In het huis woonde ook opa Otten met zijn grote witte baard. Met zijn strengheid kon hij de kinderen angst inboezemen. Als er boven niet optijd rust op de slaapkamers kwam dan stommelde hij met zijn grote klompen een eindweegs de trap op en schreeuwde "en now geen mok meer, anders kom ik met de bokseriem noar boven".

Familie Simmes in ca. 1935

Naar school ging het lopend. Als er 's winters veel water op de slagweg stond, werden ze met het karretje opgehaald en weggebracht. Er waren 3 wegen om naar school te gaan. Of door de Jonkerstraat, of door de weien rechttoe rechtaan, bij de draden had opa Otten overal opstapjes gemaakt, of ze konden over de grote weg. Het passeren van de verschillende grote boerderijen met de blaffende honden was altijd een angstige zaak. Juffrouw Friezen was de juffrouw, ondermeester Wissing was de meester. 's Ochtends kauwde meester Wissing nog lang op een spekzwoertje bij wijze van kauwgom. Als de meester op bezoek kwam was Frans de bolleboos die goed leren en dan zei: "Marietje dat gaat nog niet met een vliegmachientje." Dan werd Marietje boos. Frans was ook de lieveling van opa Otten. Toen Marietje 17 jaar was ging ze voor het eerste 5 maanden van huis naar Sassenheim. In het voorjaar toen de tulpen bloeide ging ze er heen. Na sinterklaas kwam ze weer terug. Een Netterdense was daar al langer, Dina Geurtsen. En Marietje zou haar goed gezelschap kunnen houden. Het was heel zwaar werk. De meisjes kregen vaak opgewarmd eten, geen koffie tussendoor, hoewel ze wel de koffie moesten rondbrengen. Ze mochten alleen naar het dorp om te biechten. Een keer biechten werd stiekum omgebouwd in een bescheiden uitje. De zusters waren niet onaardig maar heel streng. De verdienste was ongeveer niets, maar Marietje mocht er wel piano spelen. De meisjes hebben er samen een keer een toneelstuk ingestudeerd, dat werd opgevoerd waarbij Marietje piano speelde. Maar Marietje had erg veel heimwee, ze moest iedere avond huilen. 's Avonds klom ze op het dak van het St.Bernardushuis en zocht de richting op waar de Bergeländjes wellicht zouden liggen. 's Avonds om 9 uur moesten ze al in bed liggen en 's morgens werden ze op de gezamelijke slaapzaal gewekt met een "Jezus leeft in onze harten".

De periode Sassenheim duurde ongeveer een jaar. Ook toen ze wegging bloeide de narcissen. Een week na de kermis zou Marietje 18 jaar worden. Ze had zich enorm op de kermis verheugd na de kater van Sassenheim. Maar voor meisjes onder de 18 was zo'n festijn streng verboden. Oma zou het echter in de biechtstoel aan de pastoor gaan vragen of voor Marietje geen uitzondering kon worden gemaakt. Het feest ging niet door. Een ander Netterdens meisje dat zich van de aanmaningen van de pastoor niets aantrok en wel ging werd door de pastoor met het doopboek in de hand uit de danszaal gehaald. Grote opschudding in Netterden, maar Marietje was maar wat blij dat ze gehoorzaam was gebleven. Toen zij het jaar daarop meedeed met het rijdansen op een boerenfeest en een van de omstanders hoorde zeggen: "moar gij bent ook moeders mooiste niet", werd in haar een gevoelige snaar geraakt. Ze was overgevoelig voor zulk soort opmerkingen. Frans was van de broers een kameraard. Met hem samen ging ze naar de dansles. Zo ook fietste ze met hem naar Didam naar de familie Sterk om er een bruiloftsfeest te vieren. Marietje droeg trots haar nieuwe zelfgemaakte jurk, die ze op de naailes gemaakt had. Zij viel bij Theo Elshof op het feest nogal in de smaak. De hele avond danste hij met haar en probeerde zelfs een afspraakje. Met een neef van hem die jaloers was, en ook met Marietje wilde dansen, maakte hij fikse ruzie. Marietje was altijd al een dromertje, die stilletjes kon zitten mijmeren. Als kind op een hobbelpaard, waarop ze uren doorbracht. Frans, die zelf al vroeg kon breien, stimuleerde haar om voor de poppen kleertjes te maken en bracht haar het breien bij. Ook later wist Frans haar te vinden voor het repareren van boorden en kragen, en zelfs een gescheurde en kapotte regenjas. Het liefste spel was huisjes bouwen, waarin dan weer vadertje en moedertje gespeeld kon worden. Het moest zo ècht mogelijk. Met Wies samen had ze een volledig kinderservies bij elkaar gespaard. In het bakhuis kon zelfs een compleet huis nagebootst worden. Vader en moeder kwamen dan bij de kinderen op visite. Een knecht maakte voor de kinderen een servieskastje. Sinterklaas op de Bergeländjes was groot feest. Iedereen was overtuigd dat overal wel bedrigers kwamen, maar op de Bergeländjes toch de enige èchte. Al wekenlang liepen de kinderen op de lange weg naar school te dromen over de verlanglijstjes. Moeder Simmes deed haar uiterste best aan de verlangens tegemoet te komen zodat Sinterklaas zwaar beladen met pakjes kon komen. De jongens van Smit v.d. Schriek waren SInterklaas en zwarte Piet. Voor Marietje was sinterklaas een figuur recht uit de hemel. De eerste aanblik van de heilige deed haar van schrik vluchten achter de stoel van tante Frieda. Eerst werd door de hele familie luidkeels gezongen, tot opa op de slakweg een lichtje zag en gerammel van kettingen en slagen op de deur, de komst van de Sint aankondigden. Eens verraste de Sint de jongens met een echte stoommachine.

Hein & Marietje in ca. 1980

En het is volgens mij vast diezelfde echte Sint geweest die later op de drostlaan de kinderen Tomassen kwam verrassen, eerst met een teil vol kadoos en snoepgoed en dan later nog eens als "Sinterklaas van oma" met een tafel vol prachtige spulletjes. De appels zijn niet ver van de boom gevallen en nu ze min of meer rijp zijn, denken die appeltjes met liefde terug aan de boom en de tijd dat ze aan de boom bengelend een rustig en fleurig leven leidden. En ze wensen hun lieve ouders nu een lief en fruitvol leven toe met kleinkindertjes en andere aangename onrust.

Terug naar de genealogie